10 juni 2007 Eerste zondag na Trinitatis

ds. Dick Pruiksma
Eerste zondag na Trinitatis                                                            10 juni 2007
Lukas 7 : 11-17.                                       Grote of Laurenskerk, 10.00 uur

Gemeente van de Heer,
Ik weet niet meer om welke twee schilderijen het ging. Maar nog niet zo lang geleden liet het journaal een tentoonstelling zien waar een tweeluik was bijeen gebracht. Op het linker schilderij stond een vrouw, prachtig in het kant. En op het andere schilderij haar man in donker satijn. Het waren zeer welvarende gouden-eeuwse Nederlanders. Eén van beide was een bruikleen uit het buitenland. Eeuwenlang waren de echtelieden al gescheiden. En nu hingen we weer voor eventjes naast elkaar. En je zag het onmiddellijk: het ene schilderij is niet volledig zonder het andere. Daar hingen ze naast elkaar. De figuren waren in de afzonderlijke schilderijen op dezelfde ooghoogte geschilderd. Zij keek naar hem en hij keek naar haar. Een tweeluik. Het één is niet volledig zonder het ander.
Ik denk dat het met het evangelieverhaal van vanmorgen net zo is. Het verhaal over de weduwe van Naïn is de tweede helft van een tweeluik. De eerste helft is het verhaal van de hoofdman in Kapernaum, dat hier vlak voor staat. Twee verhalen naast elkaar. Over een Romein, een vreemdeling dus en over een weduwe. Staat al niet in Deuteronomium geschreven dat God een god van goden is en een heer van heren die de weduwe recht doet en de vreemdeling liefde bewijst? En wanneer gij de oogst van uw akker binnen haalt en per ongeluk een garve aan de rand vergeet, ga dan niet terug om die op te halen: voor de vreemdeling en de weduwe zal die zijn. Want de vreemdeling en de weduwe hebben rechten in het land dat de Heer uw God u geven zal. Een tweeluik over een man en een vrouw. We weten van beiden geen naam. Maar het zijn een vreemdeling en een weduwe, de één met een slaaf en de ander met een kind, een zoon. Zijn slaaf is bijna dood en haar zoon is al gestorven. Maar mensen hebben recht om te léven. Zo haalt Lucas ze bij elkaar. Ook vreemdleingen en weduwen en ook de wezen doet God wonen op zijn erf. De één, de vreemdeling, zijn geloof wordt ten voorbeeld gesteld aan Israël en van de ander, de weduwe, wordt gezegd dat je aan háár kunt zien dat God zich wel degelijk om zijn volk bekommert. Twee verhalen die elkaar aankijken.
Zie, men droeg een dode uit. Het lichaam ligt in een open kist, soms is het alleen maar een draagbaar waarop het lichaam van de overledene naar de begraafplaats wordt gedragen. Nog op de dag van het overlijden zelf. Natuurlijk, bij de temperaturen die je in het Midden Oosten hebt, kan dat niet anders. Er was veel volk op de been. Het bericht van de dood van dit kind zal in het kleine stadje zijn ingeslagen als een bom. Eerst verliest ze haar man en het jongetje zijn vader. En nu moet zij haar eniggeboren zoon, haar enig kind begraven. Letterlijk staat er: de schare was toereikend bij haar. Ja, maar hoe lang zal dat duren? Begrijpt u me goed, ik zelf heb niets te klagen. Maar ik hoor de verhalen van mensen die vertellen dat hun omgeving zegt: Nou heeft het lang genoeg geduurd hoor. Nou moet je maar weer flink zijn. Maar verdriet is iets dat blijft. En in golven, soms pas weer na jaren, komt het in alle hevigheid terug. Moge God geven dat er dan mensen om je heen zijn die dat begrijpen. De schare was toereikend bij haar. Maar het was dan ook haar eniggeboren zoon. Als je in die wereld later afhankelijk bent van de zorg van je kinderen, dan ben je nu je toekomst kwijt. Vandaag is ze alles, maar dan ook alles, ook het laatste dat ze nog had, kwijt geraakt. Ze is dood nog vóórdat ze sterft.
En terwijl de omvangrijke rouwstoet nog maar net de stad heeft verlaten, is er een tweede stoet. Die gaat op de stadspoort toe. En dat is ook een grote menigte. Want niet alleen de leerlingen zijn bij Jezus. Ook een grote schare was bij Hem en staat op het punt met Hem de stad binnen te gaan. En daar, op de drempel van de stad, de plek waar mensen samen leven, op de grens stuit leven op de dood. En op het nippertje wordt de dood gestuit. Want zo staat er: Jezus zag haar en werd met ontferming bewogen.. Er staat een woord dat met ingewanden heeft te maken. Tot in zijn buik voelt Jezus het verdriet van deze vrouw. Hij ziet die vrouw en wij zeggen dan: zijn maag keerde om. Zo erg. Naamloos is ze en naamloos zal ze blijven. Maar een toekomst zal ze hebben. Want de vreemdeling en de weduwe hebben recht om te leven.
Hij zegt alleen maar tegen haar: weeklaag niet. En nu komt het erop aan wat we verder lezen. Want wat zegt Jezus? Hij treedt naar voren en raakt de baar aan. Maar Hij zegt natuurlijk niet: jonge man, sta op. Want hoe zouden wij dat kunnen? Opstaan uit de doden? Wie is bij machte om zélf op te staan uit het donkerste duister van de dood? Nee, uit dat donker moet je geroepen worden. Moet je wórden opgewekt, door Hem die spreekt, die jou roept. En dan zul je léven. Jonge man, tegen je moeder zeg ik: ween niet. Tegen jou zeg ik: wordt opgewekt. Want niet alleen de vreemdelingen en de weduwen, ook jij, de wees hebt recht om te léven. Wordt opgewekt.
En de schare zag wat er gebeurde en ze zeiden: een groot profeet is onder ons opgewekt. Wanneer God zijn profeten onder ons opwekt en zijn stem nog onder ons te horen is, wanneer nog niet al het leen is verzonken in de doofheid van de dood, dan is het zonneklaar dat Hij zich om zijn volk bekommert. Hij heeft zich de lage staat van deze, zijn dienstmaagd aangetrokken. Wordt opgewekt. Leef opgewekt. Want God laat zelfs voorbij de grens van de dood zijn kinderen niet alleen. En terwijl beide grote scharen het opwekkingsverhaal rondbazuinen, een groot profeet is onder ons opgewekt, gaat de jonge man op zijn doodsbaar zitten en hij sprak. Natuurlijk. Hij moet gewoon. Hij is toch de stem der profetie die ons tot het leven roept. Wie zou niet getuigen van wat ons is overkomen. Wij worden tot het leven geroepen.
Toen Betty en ik deze dienst voorbereidden, spraken wij natuurlijk over de betekenis van de doop. Dat wij in de doop met Christus ondergaan in zijn dood om met Hem op te staan tot een nieuw leven. Hij roept je bij je naam, zeggen we bij de doop. Je bent van Hem. Hij zegt jou: wordt opgewekt. Kom tot het leven. En opgewekt gaan wij spreken, verkondigen, vertellen van wat ons is overkomen. Dat God ons in het hart heeft gegeven zíjn stem te horen. En dat wij zullen leven. Amen.