24 november 2013

Gemeente van Jezus Christus,

Hans Andreus was een dichter.
Hij stierf in 1977 op 51 jarige leeftijd aan kanker.
Dit was zijn laatste gedicht:

Laatste gedicht

Dit wordt het laatste gedicht dat ik schrijf
nu het met mijn leven bijna is gedaan
De scheppingsdrift me ook wat is vergaan
met letterlijk de kanker in mijn lijf

En, Heer (ik spreek je toch maar weer zo aan
ofschoon ik me nauwelijks daar iets bij voorstel,
maar ik praat liever tegen iemand aan
dan in de ruimte en zo is het wel

de makkelijkste manier om wat te zeggen)
Hoe moet dat nu, waar blijf ik met dat licht
Van mij, van jou, wanneer het vallen, weg in

Het onverhoeds onnoemelijke begint.
Of is het dat jíj me er een onverdicht
woord dat niet uitgesproken hoeft voor vindt?

Andreus probeerde met woorden te zoeken
naar datgene wat soms niet te omschrijven valt.
Want hoe benoem je de angst die je voelt
als je sterven moet,

hoe omschrijf je de dood en hoe zit het dan met God?
Zo schrijft Andreus: hoe moet dat nu? Waar blijf ik met dat licht van mij, van jou, wanneer het vallen, weg in het onverhoeds onnoemelijke begint?

Andreus werd ook wel de dichter van het licht genoemd.
Hij heeft heel veel gedichten geschreven waarin licht voorkomt.
In zijn eerste gedichten is het licht eigenlijk vooral gewoon dagelijks licht, zonlicht,
Of voorjaarswarmte.
Hij schrijft:
Ik hoor het licht/ het zonlicht / de warmte spreekt weer tegen mijn gezicht.

Maar naarmate Andreus ouder wordt, wordt dat gewone licht meer dan alleen maar licht.
Het wordt iets sacramenteels.
Een soort teken, of verwijzing naar iets diepers,
Zo schrijft hij:

Het licht doet me van tijd
tot tijd herinneren
aan het licht.

En ook zoals in zijn gedicht 'Of hoe dat heet'
iets dat te maken heeft met oorsprong.
Van waar je vandaan komt,

Of hoe dat heet

Gelukkig dat het licht bestaat
En dat het met me doet en praat
En dat ik er vandaan komt
Van dat licht
Of hoe dat heet

Hoewel Andreus nergens het woord God in de mond neemt, krijgen zijn gedichten over het licht bijna een belijdend karakter.
En hoewel het allemaal tastend is,
voel je dat Andreus met zijn woorden probeert te raken aan zin en betekenis van het bestaan.

Zijn gedichten over het licht doen mij denken aan de gedichten van koning David. Ook hij bezingt oorsprong, bron en licht.
Zo lazen wij vandaag in psalm 36:
God, bij u is de bron van het leven,
door uw licht zien wij het licht.

De bijbel heeft heel veel teksten die gaan over licht,
het is een van de belangrijkste symbolen.
Dat begint al in het allereerste boek, in genesis,
waar de schrijver Gods eerste daad laat zijn:
Het scheppen van licht in de duisternis.
God zei: er moet licht komen, en er was licht.
En God zag dat het licht goed was.

Het licht.
Er is een verhaal over een koning die drie dienaren een raadsel geeft met uitzicht op een beloning.
Vul mijn grootste paleiszaal van vloer tot plafond in 1 dag. Je hebt tot middernacht de tijd.
De eerste dienaar had connecties met een boer.
De hele dag sleepte hij hooibalen heen en weer.
Maar aan het einde van de dag was de paleiszaal tot nog maar de helft gevuld.
De tweede dienaar dacht: dat kan ik beter, al dat gesleep met die zware hooibalen.
Deze dienaar had goede contacten met een pluimveehouder. Van vroeg tot savonds laat vulde hij grote zakken met veren. Maar aan het einde van de dag waren de veren op, en de zaal nog lang niet vol.
Toen was de beurt aan de derde dienaar.
Een hele dag gebeurde er niets.
Moet je niet iets gaan doen? Vroegen de eerste twee dienaren aan de derde dienaar.
Nee, zei die, maar kom maar naar de paleiszaal bij zonsondergang.
Toen de avond viel reden de dienaren naar het paleis, ook de koning was er al.
En de derde dienaar. Met in zijn hand een klein kistje.
Ik ben heel benieuwd, zei de koning, wat heb je voor ons meegenomen.
Koning, ik ga uw zaal vullen van onder tot boven tot in de kleinste hoeken en gaten.
Toen zakte de zon achter de heuvels in de verte, het werd helemaal donker in de paleiszaal.
De dienaar opende het kistje en haalde er een klein kaarsje uit dat hij aanstak.
In een fractie van een seconde was de hele zaal verlicht.
Geen enkel hoekje en gaatje werd gemist.
Zo vulde de derde dienaar de zaal van de koning.

Vandaag herdenken wij onze geliefden, die ons ontvallen zijn.
We steken kaarsjes aan
aan de paaskaars en vullen de ruimte met licht.
De kaarsjes branden als teken van troost en hoop,
Maar ook als een belijden dat het licht sterker is dan het donker,
naast ons gemis en al onze vragen over de dood.

Ook de dichter Andreus had vragen.
Hoe moet dat nu? vraagt hij wanneer hij zich op de rand van het leven bevindt. Waar blijf ik met dat licht van mij, van jou?

Zijn laatste gedicht klinkt als een gebed.
En hoewel hij schrijft dat hij zich van God nauwelijks meer iets kan voorstellen,
spreekt hij hem hier aan. God wordt een Gij.
Bezorgd over het licht van hem, van God, van ons. En of het in goede handen is, straks.
Op de randje van de dood schrijft hij deze laatste woorden.
En woorden hebben hem als dichter zijn hele leven begeleid.
Maar nu is het op.
Zijn laatste gedicht gebed is geen aanklacht meer om het onrecht van de ziekte die hem heeft getroffen, geen smeekbede om genezing,
En ook geen vraag meer om de rauwe werkelijkheid te veranderen.
Het is een gedicht geworden van overgave.
Andreus draagt zijn werkelijkheid, zijn leven, over aan God.

Zo luidt zijn laatste regel:
Of is het dat jîj me er een onverdicht woord dat niet uitgesproken hoeft voor vindt?

Andreus laat nu aan God de woorden. Daar waar hij voor stond, en waar hij groot in was, het dichten, het vinden en het zoeken van woorden, hij geeft het over aan God om het te voltooien en te dragen.
Onze geliefden die wij vandaag herdenken.
We hebben ze uit handen moeten geven.
We missen hen.
We missen hun warmte en hun licht.
Vandaag bidden wij dat God hen draagt, dat zij zijn in het licht van de Eeuwige, bij wie onze woorden in goede handen zijn.

Amen