14 oktober 2018

Gemeente van Jezus,

Afgelopen week belandde ik vrij toevallig bij het programma 'de beste zangers van Nederland'. Trijntje Oosterhuis zong in die aflevering een lied dat mij het kippenvel bezorgde. Ze zong het lied 'Zeg me wat je ziet' dat oorspronkelijk door Marco Borsato is gezongen. Het lied gaat over iemand in een relatie die nog heel veel van de ander houdt, maar op muren stuit en er niet zeker meer van is of de ander wel van hem houdt. De meest indringende zin van het lied was:
'zeg met wat je ziet
Wanneer je naar me kijkt
Ik heb jouw ogen niet'

In de manier waarop Trijntje Oosterhuis het zong voelde je het onvermogen en het onbegrip. Het verlangen om de ander te begrijpen. De onmogelijkheid om de dingen te zien zoals de ander ze ziet, tenzij dan dat de ander daar woorden aan probeert te geven.

Ik moest hieraan terugdenken toen ik met de lezing van deze week bezig was en mij opviel dat er tot drie keer toe genoemd wordt dat Jezus kijkt.
1. In vers 21 staat dat Jezus de rijke man aankijkt, hem lief krijgt en tegen hem zegt dat hij heen moet gaan om alles los te laten en daarna Jezus te volgen
2. In vers 23 staat dat Jezus rondkijkt en tot zijn leerlingen zegt: 'hoe moeilijk is het om het koninkrijk van God binnen te gaan.'
3. In vers 27 staat dat Jezus de leerlingen aankijkt nadat zij zich wanhopig afvragen wie er dan gered kan worden. Vervolgens antwoord hij dat bij God niets onmogelijk is.

Waarschijnlijk ligt er in het kijken van Jezus een belangrijke sleutel tot het begrijpen van dit Bijbelgedeelte. Een weerbarstig stukje evangelie dat heel veel vragen oproept. Het zijn woorden die schuren en bijten in plaats van omarmen en je op je gemak doen voelen. Want al heeft niet iedereen van ons het even breed, toch voelen velen van ons zich wel aangesproken als Jezus zegt dat het voor een rijke moeilijk is om in het koninkrijk van God binnen te komen. Natuurlijk heeft iedereen zo zijn problemen en de een soms meer dan de ander, maar we leven in een welvarend land met behoorlijk goede voorzieningen. Vraagt Jezus nu van ons om dat alles op te geven? Zijn we anders geen goede gelovigen?

Misschien helpt dus dat tot drie keer toe kijken van Jezus ons om iets van de zin en betekenis van Jezus woorden op het spoor te komen. Maar hoe dan? Wat ziet Jezus dan? Waar reageert hij op? Met die vragen in gedachten, moest ik dus denken aan dat lied van Trijntje Oosterhuis. Wat zij zong, verwoordt wat ik aan Jezus zou willen vragen als ik daar de kans toe zou krijgen:
'zeg met wat je ziet,
wanneer je naar mij / naar ons / naar hen kijkt
ik heb jouw ogen niet.'

De eerste die Jezus aankijkt is die rijke man die aan hem vraagt: 'wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwige leven?' Het is geen liefde op het eerste gezicht, want eerst wordt Jezus een beetje kribbig. Waarschijnlijk omdat de man Jezus met mooie, vlijende woorden voor zich probeert te winnen.
Pas als de man aangeeft dat hij vanaf zijn jeugd al de geboden probeert te houden, staat er dat Jezus hem aankijkt en hem lief heeft. Er staat niet uitgelegd wat er voor Jezus veranderd is, maar het moet iets van doen hebben met dat wat Jezus vervolgens tegen de man zegt. Jezus vraagt de man om weg te gaan, dat wat hij heeft te verkopen, het aan de armen te schenken en daarna Jezus te volgen.
Volgens mij ziet Jezus hier een mens die, als het ware bepakt en bezakt, met overvolle handen bij hem staat. Deze man houdt zich aan de geboden, heeft het gevoel dat hij nog meer moet doen en staat in de startblokken om dat te doen. Hij heeft zijn handen vol met alle dingen die belangrijk zijn voor hem in zijn leven: zijn macht, zijn rijkdom en waarschijnlijk nog veel meer. Jezus ziet een mens voor hem staan die zulke volle handen heeft, dat hij niet meer in staat is om het belangrijkste cadeau aan te pakken: Gods liefde en een plaats in zijn koninkrijk van vrede en recht. Jezus ziet een onvermogen een verlangen dat de man zelf nog niet ziet, want hij heeft het gevoel dat hij zijn leven spiritueel en materieel wel op orde heeft.

Daarom lijkt Jezus ook te zeggen, in jouw geval mist er één ding. Jezus ziet die ene man en reageert op wat hij in hem en bij hem ziet. Het is niet een algemene regel die hij hier dicteert. Hij vraagt die man om los te laten en zijn handen vrij te maken om dat te ontvangen wat er echt toe doet en daarmee op weg te gaan. Een voor hem onmogelijke vraag omdat hij te veel gehecht is aan alles wat hij vasthoudt.

Het volgende kijken van Jezus trekt deze 1 op 1 ontmoeting wat breder. Want nadat de rijke man teleurgesteld is afgehaakt, kijkt Jezus de kring rond. Waarschijnlijk ziet hij nog veel meer mensen om zich heen die bij wijze van spreken met volle handen voor hem staan, want hij verzucht: wat is het moeilijk voor een rijke om het koninkrijk van God binnen te gaan. Met de nodige humor gebruikt hij dan het beeld van een kameel die onmogelijk door het oog van een naald kan.
Wij kunnen op vele manieren rijk zijn. Het gaat dan niet alleen om materiele welvaart, maar ook om immateriële zaken als macht en invloed. Op zichzelf niet zaken waar iets mis mee is. Maar ze kunnen zo belangrijk voor ons worden dat ons hele leven er op gericht raakt er meer van te krijgen. Daar is bijvoorbeeld het succes van reclame op gebaseerd. Dat speelt in op die vaak onbewuste behoefte aan meer en beter.

Hoe vol zijn onze handen? Hebben wij nog de ruimte om Gods liefde te ontvangen of moeten wij daarvoor ook los gaan laten? De levenskunst van Jezus heeft te maken met loslaten om te kunnen ontvangen. Hij ziet ook hoe moeilijk dat voor veel mensen is, omdat er zoveel is dat hen vasthoudt. De theoloog Bonhoeffer zegt daarover: als het evangelie het heeft over het volgen van Jezus, dan klinkt een boodschap van bevrijding van alles wat drukt, belast en wat zorgen veroorzaakt.

Bij het derde zien van Jezus merken we dat Jezus ook ziet hoe moeilijk wij het vinden om los te laten en met lege handen te staan. Hij weet dat hij het onmogelijke van mensen vraagt. Dat verzuchten de leerlingen ook: 'wie kan er dan nog gered worden?'. Wie kan er dan nog dat koninkrijk binnengaan bedoelen ze te zeggen. Dan staat er dat Jezus hen aankijkt. Ik denk dat hij ze een voor een heeft aangekeken en met liefde in zijn ogen heeft gezegd: 'Bij mensen is dat onmogelijk, maar bij niet bij God. Bij God is alles mogelijk.'

Pas als wij verzuchten: God dit kunnen wij niet, dit is te veel van ons gevraagd, geven wij God de kans om met zijn genade en liefde aan de slag te gaan. Op de bodem van ons kunnen, als wij stuiten op de grenzen van wat wij zelf kunnen bereiken, treffen we geen oordeel of veroordeling. Daar zien we Jezus staan die ons vol liefde aankijkt en zegt: 'kom hier, volg mij en ik zal jouw lege handen vullen met Gods liefde. '
Maar o wat kan het een pijnlijk proces zijn om bij die bodem aan te komen. Hoeveel is er niet dat wij heel belangrijk vinden en maar moeilijk los laten. Daarom is dit een Bijbeltekst die zal blijven schuren en wringen. Het blijft een hele scherpe waarschuwing tegen rijkdom of tegen de hoogmoedige gedachte dat we al best wel een eindje op weg zijn. In het koninkrijk van God gaat alles anders en zijn hele andere dingen belangrijk dan in de wereld.

Wij hebben Jezus' ogen niet, maar in zijn kijken van vandaag ontdekken wij hoe hij mensen ziet. Dat hij dwars door hen heen kijkt en hun diepste nood ziet. Hij ziet en roept mensen op hem te volgen. Niet door iets te doen, maar juist door los te laten en met lege handen bij hem aan te komen. Gewoon zoals we zijn.

Zoals ik ben, kom ik nabij
Met niets in handen dan dat Gij
Mij riep en zelf U gaf voor mij –
o Lam van God, ik kom.

Zoals ik ben, met al mijn strijd,
mijn angsten en onzekerheid,
mijn maskers en mijn ijdelheid
o Lam van God, ik kom.

Zoals ik ben, ontvangt Gij mij,
reinigt, vergeeft, omarmt Gij mij,
vervult, verlicht, verwarmt Gij mij
o Lam van God, ik kom.

Zoals ik ben, in U te zijn
en Gij in mij, in brood en wijn:
uw ziel, uw levenskracht wordt mijn
o Lam van God, ik kom.

Zoals ik ben ja, dat ik dan
de lengte, breedte, hoogte van
uw diepe liefde vatten kan:
o Lam van God, ik kom.
(lied 377 , liedboek 2013)

Amen