19 augustus 2018

Gemeente van Jezus Christus,

Ik had een opening voor deze preek gemaakt, toen het nieuws van de afgelopen week tot mij door drong. Ik heb gelijk mijn opening naar de prullenbak verwezen. Want hoe kan ik vrolijk beginnen te preken over zegenende handen als hánden juist zoveel kwaad hebben gedaan? 300 geestelijken die in Pennsylvania meer dan 1000 kinderen hebben misbruikt. De afgelopen jaren hebben we meer van dit soort berichten gehoord. Iedere keer opnieuw vind ik het schokkend en onvoorstelbaar.
'Hoe geloofwaardig zijn wij als kerk nog?' vraag ik mij dan af. Kan je zomaar spreken over een tekst als de onze, over de liefde van God, over Jezus die kinderen omarmt en zegent, of moeten wij maar zwijgen? Opeens realiseerde ik mij namelijk ook hoe moeilijk het verhaal van Jezus die de kinderen zegent moet zijn voor mensen die als kind misbruikt zijn. De intimiteit van de gebaren en de manier waarop het vaak wordt afgebeeld heel ongemakkelijk kunnen zijn. Ze kunnen je doen terugdenken aan momenten die je liever vergeet. Verschillende emoties als schaamte, onmacht, schuldgevoel, boosheid en verdriet kunnen naar boven komen.
Als je je beseft dat 1 op de 4 vrouwen en 1 op de 6 mannen in het leven te maken krijgt met seksueel misbruik, dan zijn deze gevoelens misschien dichterbij dan we denken. Zoveel mensen krijgen er mee te maken, maar we praten er zo weinig over. In de kerk zijn we er ook niet zo goed in om dit bespreekbaar te maken.

Misschien moeten we dan maar beginnen met te erkennen dat handen ontzettend veel kwaad kunnen doen.

Niet alleen door ongewenste aanrakingen, maar op zoveel andere manieren. Door te slaan, door wapens op te pakken, door kapot te maken wat anderen dierbaar is of noem maar op. Daar bent u, ben jij misschien het slachtoffer van geweest, wat vreselijk is. Maar het kan ook dat je zelf dingen gedaan hebt waar je achteraf spijt van hebt.
Durft u, durf jij het daar wel eens over te hebben met anderen? Of is dat te kwetsbaar, te moeilijk? Het jaarthema voor komend seizoen in onze gemeente wordt 'een goed gesprek'. Misschien moeten we met elkaar daar eens een goed gesprek over beginnen. Niet over onze successen, maar over die momenten dat het fout ging en hoe we ons daar bij voelen.

De conclusie voor nu is in ieder geval dat onze menselijke handen niet automatisch goed doen. Het is niet vanzelfsprekend dat onze handen zegenen.

Wat doen de handen die we in het evangelieverhaal tegenkomen?

Als eerste lezen we over vragende handen. 'De mensen probeerden kinderen bij Jezus te brengen', zo staat er. We denken dan al snel dat het de ouders geweest zullen zijn, maar dat hoeft niet. Het kunnen buren, familieleden of dorpsgenoten zijn geweest. Kinderen groot brengen doen ouders niet alleen, maar er staan daarbij velen om hen heen. Bijvoorbeeld grootouders, leraren, vrienden, mensen van de sportclub of andere gemeenteleden in de kerk.
De vragende had in het verhaal kan zijn van iedereen die die geeft om de kinderen. Want ze vragen of Jezus de kinderen wil aanraken. Dat was niet zo raar in die tijd. Op sabbat was het de gewoonte dat ouders hun kinderen aanraakten en door dat gebaar zegenden. Op een aantal momenten in het jaar werden de kinderen bij een rabbi of leraar gebracht om een zegen te krijgen.
De vraag van de volwassenen laat zien hoeveel ze van de kinderen in hun omgeving houden. Ze wensen hen het goede toe en hopen dat God met hen mee gaat in het leven. Een wens die velen van ons hebben voor de mensen van wie wij houden.

De tweede soort handen die we tegenkomen zijn afwerende handen. Helaas komen we die vaak in ons leven tegen. Anderen die menen te weten wat jij kan of niet. Iedereen met een beperking loopt daar tegenaan. 'Nee, dit werk kan jij niet doen want je bent doof.' Maar niet alleen met een beperking loop je tegen die afwerende handen aan. Iedereen heeft er wel ervaringen mee denk ik.
Zo menen de leerlingen te weten dat het niet de bedoeling is dat deze kinderen naar Jezus toe gaan. Hun houding is overheersend. 'Wij zijn de baas en kunnen vertellen wat jullie moeten doen.' Dat wordt versterkt doordat er geen reden wordt gegeven voor de weigering. Dit verhaal wordt ook verteld door Matteüs en Lucas en daar staat bijvoorbeeld dat de leerlingen zeggen dat Jezus moe is. In dit verhaal van Marcus niet. Hier is het gewoon een kort en bot: Nee!

Vervolgens is het Jezus die een afwerend gebaar naar zijn leerlingen lijkt te maken. Als hij door krijgt hoe bot ze zijn, wordt hij boos op zijn leerlingen. Dat hoor je niet vaak over Jezus, maar hier is hij oprecht boos. Dat laat hij merken.
Jezus is boos omdat zijn leerlingen niet belangrijker zijn dan al die andere mensen die om Jezus heen staan en naar hem luisteren. Hij heeft juist een hekel aan mensen die de baas spelen. Al vaker heeft Jezus gezegd dat bij God iedereen even belangrijk is. Nu laten de leerlingen opnieuw merken dat ze dit niet willen of kunnen begrijpen. Ik kan me wel voorstellen dat Jezus gefrustreerd is!

'Weet je wie belangrijk zijn? Die kinderen die jullie tegen proberen te houden!' zo zegt Jezus tegen zijn leerlingen. Juist de mensen die niet mee telden in de maatschappij, maakt Jezus tot voorbeeld voor anderen. Waarom? Kinderen leven met open handen. Die open handen zijn de derde soort handen die we tegen komen in het verhaal.
Als Jezus zegt dat Gods nieuwe wereld er juist voor de kinderen is, dan is het natuurlijk niet de bedoeling dat we de klok terug draaien. We kunnen geen kinderen meer worden. Wat we wel kunnen proberen is iets terug te vinden van dat wat we bij het opgroeien kwijt zijn geraakt. Namelijk een open houding naar de wereld: Nieuwsgierig zijn, je kunnen verbazen over dingen op misschien een naïeve manier uitgaan van het goede van de ander.
Open handen zijn het meest geschikt om dingen aan te pakken. Dat is in het echt zo. Een pakket aanpakken gaat beter met open handen dan met vuisten. Maar dat geldt ook voor geestelijke zaken. Liefde ontvangen gaat ook niet met vuisten en een afwerende houding.
Gods liefde, zijn nieuwe wereld waarin iedereen even belangrijk is, kan je ook alleen met open handen ontvangen. Je hoeft er niets voor te doen. Je hoeft er niet voor te werken of bouwen. Weten jullie dat dit in de Gebarentaal ook met vuisten gaat (gebaar werken en bouwen laten zien)? Gods liefde is iets om te ontvangen (gebaar ontvangen laten zien). Dat gaat met een open hand en een open houding.

Als vierde een laatste zijn het de liefdevolle handen van Jezus die we in het verhaal tegenkomen. Handen die omarmen én zegenen. Zoals in het begin van de preek gezegd kan dit allerlei nare gevoelens oproepen. Maar we mogen er zeker van zijn dat Jezus' gebaren goed bedoeld zijn.

Jezus bedoelt ze als liefdevolle gebaren, die laten zien dat God zich betrokken voelt bij het leven van die kinderen. Jezus zegent de kinderen door hen de handen op te leggen, zo staat er. Dat doen wij in de kerk nog steeds. Bij het dopen, als mensen trouwen of als er een nieuwe predikant, ouderling of diaken begint zegent de predikant door hen de handen op te leggen.
Dat gebaar laat zien dat God belooft om met je mee te gaan. Om een steun in je rug te zijn als dat nodig is, om je te dragen en blijvend aanwezig te zijn in je leven.
Maar niet alleen predikanten mogen zegenen. Wij mogen elkaar zegenen. Iedere dag opnieuw. Zo hoorde ik van een vader de elke avond zijn slapende kinderen even zegende, door een hand op hun hoofd te leggen voordat hij naar bed ging. Ik vind dat een prachtig gebaar.
Zo mogen wij elkaar zegenen. We mogen elkaar laten zien en merken dat God er voor ons is. Dat doen we door dat wat we zeggen, door onze handen het goede te laten doen. Zegenen kan je ook niet met vuisten, maar doe je met open handen, die gericht zijn naar de ander.

Nee onze menselijke handen doen niet altijd het goede. Maar Jezus vraagt ons vandaag om onze handen te openen om Gods liefde te ontvangen en zijn liefde als een zegen door te geven aan anderen. Het zijn die open, zegenende handen die hier en nu al iets zichtbaar maken van Gods nieuwe wereld, hoe vreselijk de wereld om ons heen soms ook is.

Amen.