31 december 2010

31 december 2010

Lezing: Psalm 90
en verwijzingen naar Gezang 398 (tekst na de preek)


Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Wanneer je nu over je leven of over het afgelopen jaar een brief zou moeten schrijven? Wat zou u dan schrijven? Sommigen doen dat. Abel Herzberg bijvoorbeeld schreef ‘brieven aan mijn kleinzoon’. Zo ken ik meer mensen die op een bepaald moment in hun leven opschrijven wat ze hebben meegemaakt. Vertellen wat je bezielt inspireert, verbijstert. Vertellen, schrijven omdat ze iets van hun gedachtegoed als erfenis willen meegeven aan een volgende generatie. Zo schrijf ik regelmatig in mijn dagboek. Ik merk dat ik daarmee vat krijg op de gebeurtenissen. Je neemt de tijd om het leven te overdenken, en selecteert al schrijvend wat belangrijk is, mij op dat moment bezig houdt en de moeite waard is om vast te houden. Terugbladerend in oude dagboeken komt een hele wereld aan gebeurtenissen en gedachten weer naar boven. Al schrijvende kan een leerproces zichtbaar worden. Je kunt je mening veranderen. Bijstellen en  - hopelijk -  wijzer worden. Schrijven helpt je om bewust te leven.

In Psalm 90: 12 staat het zo: ‘Leer ons zo onze dagen tellen dat wijsheid ons hart vervult. ’ Het is een geloofshouding. En een levenskunst, die je leven kan verrijken. De Psalm begint als een toevlucht, en schuilplaats die God is al generaties lang. Dat is niet vanzelfsprekend (meer). Hoe kun je God als schuilplaats denken, als je nauwelijks een vermoeden hebt dat er een God is? De psalmist doet er niet ingewikkeld over: we zullen tot inzicht moeten komen dat onze dagen en de dagen van de wereld geteld zijn. We zullen God moeten vragen om ons te helpen in te zien dat het met ons en onze wereld mis gaat, als we niet veranderen, als we doorgaan met leven zoals we nu doen. Leer ons wijs te worden.

Wat is wijsheid? Dat we God aanroepen, de God van Abraham, Izaak en Jakob, deze God die door Jezus ‘vader’ wordt genoemd. Wie zijn afhankelijkheid beseft van deze God, krijgt nieuwe moed, en dagen van leven om blij en onbezorgd in Gods schepping te leven, een geschenk van God.

Het lied dat  voor deze avond van het jaar geschreven is, is gezang 398 van Dietrich Bonhoeffer. Het  lied is geschreven door iemand die de balans opmaakt in zijn leven. Hij verblijft op een van de ergste plekken om je tijd door te brengen: de gevangenis. Ondanks dat heeft hij ons veel gegeven.  Elke gedachte doorademt tijd en eeuwigheid. Temidden van de kwade krachten van de Gestapo, schrijft, zingt hij van goede machten.

Bij het lied schrijft hij een begeleidende brief. Daarin schrijft hij waar hij aan denkt: aan een lied uit zijn kindertijd. Zoals dat vaak mensen overkomt die in een beslissende fase in hun leven zijn gekomen. Plotseling zingt een lied uit de kindertijd je toe Hoe komt dat? Zie er het werk van de Geest in die in en voor ons bidt. Die ons te binnen brengt, het dragende geloof, het enige houvast. Schenk er aandacht aan en aanvaardt het als een geschenk. Het zegt iets over jou en God.

Bij Bonhoeffer drong een lied uit zijn kindertijd zich op. Twee engelen die mij toedekken, twee engelen die mij wekken. Een lied van geloof en geborgenheid. Bonhoeffer schrijft dan ook aan zijn verloofde:
‘Jullie zijn nu die engelen, jij, mijn ouders, jullie allemaal, vrienden, studenten, jullie zijn altijd aanwezig voor mij. Jullie gebeden, goede gedachten, bijbelwoorden, allengs vergeten gesprekken, muziekstukken en boeken krijgen leven en werkelijkheid als nooit tevoren. Het is een groot en onzichtbaar rijk, waarin ik leef en aan de werkelijkheid waarvan ik niet twijfel!’

Dat herkende zijn verloofde, zij had hem het jaar ervoor met Kerst geschreven: ‘Weet je dat juist in de nacht vaak stemmen hoorbaar worden die overdag zwijgen de koele nachtwind en het geheim van het donker kan de harten openen en brengt krachten tevoorschijn die onbegrijpelijk maar goed en troostend zijn. En nog iets: weet je dat de doden de nacht zoeken om met de levenden te spreken.
Weet je dat ze werkelijk engelen zijn geworden, dat dit helemaal geen kindergeloof is. Kijk, daarom heeft Christus ook de nacht uitgekozen om tot ons te komen met zijn engelen!’

Pijn kan je hart vernielen en God kan verborgen zijn. Die oermenselijke ervaring, daarmee heeft Bonhoeffer geworsteld. Geworsteld met God. Als God er is, waarom dan het lijden, de haat, het geweld, de pijn. Waarom God waarom! Zijn bekendste bundel heet ‘verzet en overgave’. Vanuit zijn roepen tot God, die vaak zo verborgen lijkt, komt hij tot overgave. Hij weet dat de goede machten zullen winnen. Dat Gods liefde zal zegevieren. Maar ook dat de weg van geloof niet de gemakkelijkste weg is.

Bonhoeffer heeft zich gesterkt gevoeld door Jezus zelf. Was hij het niet in angst en aanvechting? ‘laat deze beker aan mij voorbij gaan’, bad hij badend in zweet en tranen. Dat moet Bonhoefer getroost hebben. Hij weet wat ik voel! Hij wil net als Jezus trouw blijven aan God, als het moet ten dode toe.
Dat is zijn navolging van Christus.

Het licht zal overwinnen. Bonhoeffer schrijft over het verlangen weer samen te zijn. Samen met zijn verloofde. Het heeft niet zo mogen zijn. Hij was het ook die: God vervult niet  al onze wensen, maar wel al Zijn beloften!

Zo wisselen straks gebeden en coupletten van Bonhoeffers lied elkaar af. Daarbij ontsteken we steeds een kaars aan de Paaskaars. De Paaskaars: licht van Christus, het licht van de wereld dat onze nacht van nood en dood deelt en overwint. In mij is duisternis bij U is licht, ik ben eenzaam maar Gij verlaat mij niet!’

Amen


Tekst gezang 398
1    Door goede machten trouw en stil omgeven,
behoed, getroost, zo wonderlijk en klaar,
zo wil ik graag met u, mijn liefsten, leven,
en met u ingaan in het nieuwe jaar.

2    Wil nog de oude pijn ons hart vernielen,
drukt nog de last van 't leed dat ons beklemt,
o Heer, geef onze opgejaagde zielen
het heil waarvoor Gij zelf ons hebt bestemd.

3    En wilt Gij ons de bittre beker geven
met gal gevuld tot aan de hoogste rand,
dan nemen wij hem dankbaar zonder beven
aan uit uw goede, uw geliefde hand.

4    Maar wilt Gij ons nog eenmaal vreugde schenken
om deze wereld en haar zonneschijn,
leer ons wat is geleden dan herdenken,
geheel van U zal dan ons leven zijn.

5    Laat warm en stil de kaarsen branden heden,
die Gij hier in ons duister hebt gebracht,
breng als het kan ons samen, geef ons vrede.
Wij weten het, uw licht schijnt in de nacht.

6    Valt om ons heen steeds meer het diepe zwijgen,
de eenzaamheid, die nergens uitkomst ziet,
laat ons dan allerwege horen stijgen
tot lof van U het wereldwijde lied.

7    In goede machten liefderijk geborgen
verwachten wij getroost wat komen mag.
God is met ons des avonds en des morgens,
is zeker met ons elke nieuwe dag.