1 april 2018

Gemeente van de opgestane, lieve mensen

Ik weet niet of u afgelopen donderdag The Passion hebt gekeken. Dit nummer, dat oorspronkelijk van Claudia de Breij is, was het tweede nummer in de editie van dit jaar. Jezus zingt het hier voor en met de vrouw die al 12 jaar ziek is om dat ze bloed verliest. Hij past volgens mij daarnaast heel goed bij de ontmoeting tussen Jezus en Maria na Jezus' opstanding.

Het is donker om je heen
En je knijpt je ogen dicht
Zo kun je zelf niet zien.

Zo moet Maria zich voelen als ze naar het graf van Jezus gaat. De evangelist Johannes neemt aan het begin van zijn verhaal over de opstanding uitgebreid de tijd om de scene te schetsen. Het is vroeg op de eerste dag van de week, de dag na de sabbat. Vroeg, als het nog donker is komt Maria bij het graf.
Van opstanding is hier nog geen sprake. Het is donker en de onzekerheid, het verdriet en de vertwijfeling overheersen. Net als in het begin van het evangelie wordt hier een verband gelegd met de schepping. Het begin van het verhaal van God met de wereld.
In Johannes 1 klonken de woorden: 'In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God.' Als we nog verder terug gaan, naar de eerste woorden van de Bijbel dan staat daar: 'In het begin schiep God de hemel en aarde. De aarde was nog woest en doods, en de duisternis lag over de oervloed.'
Chaos, duisternis en onzekerheid is de stemming op die ochtend dat Maria op pad gaat naar het graf. Jezus heeft zijn vrienden met een hoop vragen laten zitten, ook Maria. Is dit nu het roemloze einde van het verhaal dat zo veel belovend begon? Hoe moet het nu verder?

Dit maakt Maria tot een vrouw die heel dicht bij ons kan staan. Want iedereen kent van die periodes dat het donker om je heen is. Zelfs als nu de zon voor je schijnt in je leven, zijn er waarschijnlijk tijden geweest waarop het een grote chaos was. Misschien ben je wel naar de kerk gekomen, juist omdat het op dit moment zo donker om je heen is. Omdat je zo graag iets wilt horen, wilt voelen wat je hoop geeft.

Wat Maria aantreft bij het graf is leegte. Ze ziet dat de steen bij het graf is weggerold. Maria neemt aan dat tegenstanders van Jezus of rovers het graf hebben opengemaakt en hem hebben weggehaald. Haar verwarring en verdriet worden alleen nog maar groter.
Even verschuift de aandacht van het verhaal naar Simon Petrus en de leerling van wie Jezus hield. Er wordt verteld hoe zij het graf inderdaad leeg aantreffen. Daar valt ook genoeg over te zeggen, maar wij blijven vandaag bij Maria.
Als de twee leerlingen weg zijn staat Maria nog bij het graf. Ze staat buiten, heeft nog niet naar binnen durven gaan. Ze huilt. Al huilend buigt ze zich voorover om zelf ook eens in het graf te kijken. Door haar tranen heen ziet ze twee engelen zitten. 'Waarom huil je?' vragen ze haar. Voor de tweede keer benoemt Maria haar verdriet: 'ze hebben mijn meester meegenomen en ik weet niet waar hij is.'

Wij zouden misschien denken dat er bij Maria, bij het zien van de engelen, wel een lichtje moet gaan branden. Ons vertelt de aanwezigheid van deze boodschappers van God dat niet mensen hier aan het werk zijn geweest, maar dat God zelf hier de hand in heeft gehad. Zoals God bij de schepping de chaos een halt toeroept, zo heeft God hier opnieuw de chaos en zelfs de dood een halt toegeroepen door Jezus te laten opstaan uit de dood.

Maar Maria ziet het niet, zo verblind is ze door haar tranen. Zelfs als Jezus zelf naast haar komt staan merkt ze hem wel op, maar ziet ze hem niet echt. Hij stelt bijna letterlijk dezelfde vraag als de engelen: 'Vrouw, waarom huil je?'. Voor de derde keer doet ze haar klacht, maar nu meent ze de tuinman te zien en neemt ze aan dat hij Jezus heeft verplaatst. 'Als u hem hebt weggehaald, vertel me dan waar u hem hebt neergelegd, dan kan ik hem meenemen'.

Niets lijkt Maria uit haar donkerte en voorbij haar chaos te kunnen helpen. Niets dringt echt tot haar door. Dat lukt pas als Jezus opnieuw spreekt en haar bij haar naam noemt: 'Maria'. We kunnen alleen maar vermoeden hoeveel liefde en andere emoties in dat ene woord doorgeklonken hebben.
Het brengt me weer bij dat nummer uit The Passion. Het verwoordt volgens mij wat Jezus in dit ene woord eigenlijk zegt:

Het is donker om je heen
En je knijpt je ogen dicht
Zo kun je zelf niet zien.
Maar ik zie jou,
Ik zie jou,
Ik zie jou

Het deed mij denken aan een schilderij dat Rembrandt van Rijn heeft gemaakt van dit verhaal.

Het is een schilderij dat bij Rembrandt past. Veel bruintinten en er wordt gespeeld met het licht. Bij Rembrandt deinst Jezus niet terug bij Maria die Jezus probeert aan te raken zoals op veel andere schilderijen. Nee, hij kijkt Maria aandachtig aan, alsof hij haar niet al te veel aan het schrikken wil brengen.
We zien Jezus met een grote hoed op en een schep in zijn hand, waardoor hij er als een tuinman uit ziet. We zien Maria die dicht bij de opening van het graf zit. In het graf zien we twee engelen die met elkaar in gesprek lijken. Op de achtergrond schittert de stad Jeruzalem in het eerste ochtendlicht.
Wat het meeste opvalt in de compositie is de lichtval. Jezus, die het centrum vormt, wordt door een groot licht beschenen. Het licht van de nieuwe morgen. Het hemelse licht dat de duisternis verdrijft. Het lijkt wel alsof via Jezus dat prachtige licht op Maria haar gezicht valt. Het is alsof zij door de hemel zelf met licht wordt beschenen, om haar zo uit haar duisternis en chaos te tillen.

Dat ene woord, 'Maria', Jezus die daarmee zegt: 'Ik zie jou', daardoor komt een grote verandering bij Maria op gang. Ze bloeit helemaal op. Tranen van verdriet veranderen in tranen van vreugde.
Zo gebeurt het dat Maria, een vrouw, de eerste is die de Opgestane ontmoet. Ze wordt door hem gezien en aangesproken. Zij is de eerste getuige van de opstanding. Jezus geeft haar expliciet de opdracht om naar zijn vrienden te gaan en te vertellen dat Jezus op weg is om naar zijn Vader te vertrekken.
En ze gaat. En ze zegt: 'Ik heb de Heer gezien!'

Jezus die Maria laat opbloeien door het licht van zijn liefde en vertrouwen. Als een mooie narcis die na een harde winter gaat bloeien uit de bol.

Dat was Pasen toen. Dat is Pasen nu, vandaag de dag. Wij kunnen, net als Jezus, proberen mensen tot bloei te laten komen. Dat probeert de juf in de klas, de verzorgende die liefdevol voor de cliënt zorgt, de goede vriend de klaar staat in mooie en moeilijke tijden. Talloze mogelijkheden hebben wij om met liefde en zorg, door mensen te laten weten 'ik zie je', anderen tot hun recht te laten komen en levens te laten openbloeien.
Hoe veel mensen in de wereld verlangen niet naar deze schijnbaar simpele dingen? Dat iemand hen bij hun naam noemt. Dat ze gezien worden en gekend zijn. Dat ze trots en rechtop mogen staan om wie ze zijn.
Wanneer wij daaraan bijdragen, laten wij Gods Paaslicht in deze wereld schijnen. Maar het omgekeerde geldt ook. Via de mensen om ons heen zegt God tegen u, tegen jou en tegen mij: 'Ik zie je, ik wil jou laten groeien in mijn licht'. Zo gebeurt Pasen steeds opnieuw.

Pasen is opbloeien in Gods licht. Zodat wij hier met elkaar een bloeiende lentetuin vormen. Als zichtbaar teken voor elkaar en voor de wereld om ons heen dat God ons ziet en het licht van zijn liefde mensen doet opbloeien.

Amen